Kham

Door het gebied van Kham lopen enkele grote rivieren en de hoofdroutes tussen China en Tibet. Deze routes hadden vanzelfsprekend ook een militaire functie. Lhasa controleerde Kham over de eeuwen vaak helemaal niet en soms in meer of mindere mate. De controle vanuit Lhasa begon pas door de steun die de Mongolen gaven. In feite was Kham een zelfstandig gebied dat bestond uit vele kleinere eenheden, die werden geregeeerd door vorsten (Derge), lama's (Litang) of door erfelijke stamhoofden (Batang). De relaties met China beleven voornamelijk beperkt tot de handel middels karavanen, waarbij Chinese thee werd geïmporteerd en zuivel en huiden werden geëxporteerd.
Eind 19e eeuw en begin 20e eeuw werd het oosten van Kham (nu het westen van Sichuan) veroverd door Chinese krijgsheren en de provincie Xikang werd opgezet. Er waren veel Khampa opstanden, o.a. in 1918, 1928 en 1932. Ze waren niet allemaal gericht tegen de Chinese overheersing; in 1933 probeerden de Khampa zich juist te bevrijden van het gezag vanuit Lhasa.
In 1950 trok het Volksbevrijdingsleger Chamdo binnen en het grootste deel van oost-Tibet kwam onder Chinese controle en werd opgenomen in de provincie Sichuan. Er kwam een programma van landhervormingen en collectivisering, waarbij het land van de kloosters werd onteigend. In 1955 probeerde het leger de Khampa's te ontwapenen en de nomaden te dwingen zich te vestigen. Dat leidde in de winter van 1955-56 tot de Kangding Opstand en die verspreidde zich naar Litang, Zhongdian en Daocheng. De Dalai Lama wilde de verhoudingen met China niet verstoren en riep de Khampa op zich te ontwapenen. Het leger onderdrukte de opstand waarbij de kloosters in Daocheng en Litang werden beschoten. De opstandelingen vluchtten naar Chamdo, hergroepeerden zich in het zuiden van Tibet en gingen naar India en Nepal om vanuit Mustang met behulp van de Guomindang op Taiwan en de CIA gewapend verzet te plegen. Er werden agenten met parachutes gedropt in o.a. Litang. Er waren in 1957 guerrilla-aanvallen op de Chinese garnizoenen. Daardoor gingen de Chinezen harder optreden en dat was mede de basis voor de Tibetaanse opstand van 1959 en de onderdrukking daarvan en de vlucht van de Dalai Lama naar India. Tot halverwege de jaren '60 bleven er acties met CIA-steun in de regio en de basis in Mustang bestond tot 1972.
In 1972 kwam er toenadering tussen China en de USA met het bezoek van Nixon en ook Nepal zocht een bondgenootschap met China. Daarmee verviel de steun en de Khampa vervielen tot hun oude gewoonten: vooral onder elkaar vechten. Het ging velen meer om controle over hun eigen vallei en een soort van nationaal idee was vrijwel niet aanwezig.
Het oosten van Kham in Sichuan is sinds 1958 behoorlijk gesinificeerd. Langs de wegen zijn diverse legerkampen, ook gevangenissen, en houtkapperskampen. Maar iets verder van de hoofdroutes blijft het leven van Khampa nog behoorlijk traditioneel.
